Welke factoren beinvloeden het ontstaan van borstkanker

Borstkanker is een veel gevreesde ziekte bij vrouwen. Iedereen kent wel een familielid, vriendin of buurvrouw die getroffen is door deze nare ziekte.

 

Kan je er iets aan doen? Helaas niet altijd. We weten bijvoorbeeld dat een vroege menstruatie meer risico's geeft maar dat kan je niet beinvloeden. Een gezond gewicht, niet roken en regelmatig bewegen is wel verstandig en heeft een invloed op het onstaan.

 

 

We weten dus dat er factoren zijn die de kans op het ontstaan van borstkanker beinvloeden.  Je kan dus aan de hand van de factoren zien of je een groter risico hebt en jezelf dus goed in de gaten moet houden. Maandelijks onderzoeken van je borsten wordt niet meer gestimuleerd omdat het onrust geeft. Maar een paar keer jaar kritisch naar je borsten kijken is wel heel verstandig. Hoe voelen mijn borsten normaal, zitten beide tepels even hoog, zijn ze even groot. Zorg dat je je borsten kent, dan kan je beter waarnemen dat er iets niet klopt.

 

Hieronder een factoren overzicht van het RIVM uit juni 2013

 

Welke factoren beïnvloeden de kans op borstkanker?



Niet alle determinanten van borstkanker bekend

Er zijn veel (mogelijke) risicofactoren voor borstkanker bekend (zietabel 1). Echter, niet alle gevallen van borstkanker kunnen door één of meer van deze factoren verklaard worden.

Tabel 1: Factoren die het risico op borstkanker (mogelijk) verhogen en de sterkte van het verband.

Risicoverhogende factor

Sterkte verband

Genetische factoren (BRCA1/2 genmutaties en/of borstkanker in de familie

++

Eerder borstkanker gehad

++

Kinderloosheid of hoge leeftijd bij geboorte eerste kind

++

Niet of slechts korte tijd geven van borstvoeding

+

Vroege menstruatie

++

Late menopauze

++

Hormonale substitutie/suppletie

++

Gebruik anticonceptiepil

+/-

Overgewicht na de menopauze

+

Alcoholgebruik

+

Borstkanker in de familie verhoogt het risico

Een vrouw met één eerstegraadsfamilielid met borstkanker heeft een ongeveer tweemaal verhoogd risico op borstkanker. Bij twee eerstegraads familieleden met borstkanker is het risico drie- tot viermaal verhoogd (Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer, 2001). Een vrouw heeft nog hogere risico’s als ze familieleden heeft bij wie zich op jonge leeftijd borstkanker ontwikkelde in beide borsten.

Mutatie in twee erfelijke genen verhoogt het risico met 40 tot 85 procent

BRCA is een afkorting voor BReast CAncer en staat voor de twee erfelijke borst- en eierstokkankergenen BRCA1 en BRCA2. Vrouwen met een mutatie in het BRCA1- of BRCA2-gen hebben een risico van 40 tot 85% om borstkanker te krijgen (Anglian Breast Cancer Study Group, 2000). Geschat wordt dat bij 5% van alle vrouwen met borstkanker een genetisch defect in het BRCA1- of BRCA2-gen een rol speelt. In Nederland zijn 700 tot 900 families geïdentificeerd met een mutatie. Een mutatie in het BRCA1-gen wordt viermaal vaker gezien dan een mutatie in het BRCA2-gen.

Verhoogde kans na goed- of kwaadaardige borstaandoening

Vrouwen die borstkanker hebben gehad, hebben een drie- à viermaal verhoogd risico om ook kanker in de andere borst te krijgen. Dit betekent dat bij 15 à 20% van de vrouwen die borstkanker overleven, binnen twintig jaar voor de tweede keer borstkanker wordt gediagnosticeerd. Goedaardige borstaandoeningen met specifieke weefselkenmerken verhogen de kans op een kwaadaardige aandoening twee à drie keer. Andere goedaardige aandoeningen lijken geen verhoogd risico op te leveren. Een voorbeeld hiervan is het fibroadenoom, ontstaan door gezamenlijke groei van bindweefsel en klierepitheel (Hartmann et al., 2005).

Hoger risico bij vrouwen zonder kinderen

Bij vrouwen die nooit zwanger zijn geweest, is het risico op borstkanker ongeveer tweemaal zo groot als bij vrouwen die wel kinderen hebben. Hierbij is de leeftijd waarop een vrouw haar eerste kind krijgt belangrijk. Vrouwen die na hun 35ste hun eerste kind krijgen, lopen ongeveer evenveel risico als vrouwen zonder kinderen, en driemaal zoveel risico als vrouwen die voor hun 18de een kind kregen. Onafhankelijk van de leeftijd waarop het eerste kind werd geboren, heeft een groot aantal kinderen een grotere beschermende werking. Waarschijnlijk houdt het risico op borstkanker verband met het aantal menstruele cycli dat een vrouw doormaakt. Hoe geringer het aantal cycli, des te lager de expositie aan met name oestrogenen en des te lager het risico op borstkanker.

Vroege menstruatie en late menopauze verhogen het risico

De leeftijd bij de eerste menstruatie en bij de menopauze zijn geassocieerd met borstkanker. Wanneer de eerste menstruatie vóór het twaalfde levensjaar optreedt, is het risico 30% hoger dan wanneer het na het veertiende jaar optreedt. Vrouwen bij wie de menopauze na het 55ste levensjaar intreedt, hebben nadien een tweemaal zo hoog risico op borstkanker dan vrouwen bij wie de menopauze vóór het 45ste jaar begint. De beschermende werking van een vroege menopauze kan worden toegeschreven aan het beëindigen van de functie van de eierstokken. Vrouwen bij wie op jonge leeftijd de eierstokken zijn weggehaald, hebben ook decennia na de operatie nog een verlaagde kans op borstkanker (Kelsey & Berkowitz, 1988).

Hormonale substitutie verhoogt het risico op borstkanker

Hormonale substitutie of suppletie (gebruik van oestrogenen) verhoogt het risico op borstkanker. In grootschalige onderzoeken in de Verenigde Staten werd een toename van de kans op borstkanker gevonden bij vrouwen die postmenopauzaal langer dan vijf jaar oestrogeensubstitutie gebruikten. De kans op het krijgen van borstkanker was bij deze vrouwen 30-40% groter dan voor vrouwen die geen hormonen hadden gebruikt (Colditz et al., 1995Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer, 1997). Tumoren die onder invloed van hormonale substitutie ontstaan, zijn vaak van het lobulaire type (Chen et al., 2002a).

Een grote Britse studie bevestigt de eerder gevonden toename van het risico van borstkanker bij het gebruik van producten met alleen een oestrogeen (toename 20-40%). Daarenboven toont de studie aan dat de toename van het risico veel groter is (90-210%) bij het gebruik van een combinatietherapie van oestrogeen en een progestageen (Million Women Study, 2003).

De toename van de kans op borstkanker is afhankelijk van de duur van de behandeling. De kans neemt af vanaf het moment dat de hormoonsuppletietherapie (HST) wordt gestaakt. Vijf jaar na stopzetting van de therapie is het risico van borstkanker weer hetzelfde als bij vrouwen die nooit HST hebben gebruikt. Er blijkt geen verschil te zijn in het risico van borstkanker tussen specifieke preparaten of de wijze van toepassing.

Verhoogd risico door anticonceptiepil

Vrouwen die de pil slikken hebben een verhoogd risico van 24% op het krijgen van borstkanker in vergelijking tot vrouwen die de pil niet slikken. Voor vrouwen die 1-4 jaar geleden zijn gestopt met de pil is er een verhoogd risico van 16%. Vrouwen die 5-9 jaar geleden zijn gestopt met de pil, hebben een verhoogd risico van 7%. Voor vrouwen die al langer dan tien jaar geen anticonceptiepil meer slikken is er geen verhoogd risico meer. De duur van het gebruik van de anticonceptiepil, de dosis en de samenstelling hebben geen effect op het risico. Vrouwen die vóór de leeftijd van 20 jaar beginnen met het slikken van de pil hebben een wat hogere kans op het krijgen van borstkanker gedurende het gebruik van de pil. Het absolute risico van borstkanker is echter laag in deze leeftijdsgroep (Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer, 1996).

Overgewicht mogelijke risicofactor

Bij vrouwen na de menopauze is overgewicht een risicofactor. Het risicoverhogend effect van overgewicht na de menopauze wordt geschat op 30 tot 50%. Vóór de menopauze hebben vrouwen met overgewicht geen verhoogd risico om borstkanker te krijgen (KWF, 2005c).

Mogelijk verband met alcoholgebruik

Er bestaat mogelijk een oorzakelijk verband tussen alcoholconsumptieen een verhoogde kans op borstkanker. De precieze aard van dit verband is echter niet duidelijk. In een analyse van de gegevens van zes prospectieve studies is een risicotoename gevonden van ongeveer 7% bij inname van 10 gram alcohol per dag (ongeveer 0,75 á 1 glas). Tot een inname van 60 gram per dag (ca. 5 glazen) neemt het risico lineair toe (CGHFBC, 2002b). Er zijn onvoldoende gegevens om bij een hogere dagelijkse inname de aard van het verband vast te stellen.

Naar boven


Beschermende factoren

Gunstig effect lichamelijke activiteit

Vrouwen die regelmatig lichamelijk actief zijn, hebben naar schatting 20 tot 40% minder kans op borstkanker dan vrouwen die weinig lichamelijk actief zijn. Deze schatting is gebaseerd op de resultaten van zowel cohortstudies als patiënt-controlestudies naar het effect van lichamelijke activiteit op het risico van borstkanker. Het effect van lichamelijke activiteit op het risico van borstkanker is gelijk voor vrouwen met en zonder overgewicht (KWF, 2005c)

Beschermend effect borstvoeding

Borstvoeding heeft een beschermende werking tegen borstkanker die zich voor de menopauze (premenopauzaal) ontwikkelt. In een omvangrijk patiënt-controleonderzoek onder premenopauzale vrouwen bedroeg de risicovermindering 22% bij vrouwen die in totaal (aan één of meer kinderen) 4-12 maanden borstvoeding hadden gegeven. De vermindering van het risico was groter naarmate de vrouwen op jongere leeftijd borstvoeding hadden gegeven (Newcomb et al., 1994). Eerdere studies vonden alleen risicovermindering na het zéér langdurig geven van borstvoeding, dat wil zeggen één tot twee jaar over het gehele leven. Dat is in Nederland ongebruikelijk lang. Er is geen relatie gevonden tussen het geven van borstvoeding en borstkanker die zich na de menopauze ontwikkelt. Een meta-analyse heeft het beschermende effect van borstvoeding op het ontstaan van borstkanker bevestigd (Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer, 2002).

Naar boven